Enid Bagnold, ‘Dagboek zonder data’

'Van het kastje naar de muur...': een leven tussen muren

In de media heeft de trilogie romans met getuigenissen van verpleegsters uit de Eerste Wereldoorlog, de voorbije jaren in een uniforme uitgave verschenen bij De Bezige Bij, niet bepaald veel aandacht gekregen. Nochtans was het gevierd schrijver Erwin Mortier die de drie verschillende (vergeten) werken van een inleiding en een uitstekende vertaling voorzag. Na ‘Het kielzog van de oorlog’ (Ellen N. La Motte) en het eigenzinnige ‘Verboden gebied’ (Mary Borden) is er nu ‘Dagboek zonder data’, door sommigen meteen uitgeroepen tot het meest ontroerende boek uit de reeks. Schrijfster is Enid Bagnold, die na haar loopbaan als verpleegkundige een bestaan zou uitbouwen als schrijfster van romans, gedichten en toneelstukken.

Zoals de titel doet vermoeden is ‘Dagboek zonder data’ een verzameling aantekeningen, geïnspireerd door wat Bagnold dag na dag meemaakte in een oorlogshospitaal. Het was haar eerste publicatie en misschien ook de katalysator voor haar latere schrijverscarrière, want ze werd na haar ‘onthullingen’ op staande voet ontslagen. Verrassend is dat niet, want het beeld dat Bagnold van de hospitalen schetst, is er een van oorden waarin het eigenlijk niet om de mens achter de patiënt gaat. De onverschilligheid, schone schijn en regelgeving waarvan niemand de noodzakelijkheid of rechtschapenheid in twijfel leek te trekken, geeft Bagnold weer als is het hospitaal een absurde werkelijkheid. Dit doet ze via ontwapenende, kleine anekdotes. Zo schrijft ze over een verpleegster die dagelijks twintig keer de schouders ophaalt als ‘de jongens’ klagen over pijn, terwijl er een wereld voor haar opengaat wanneer ze zelf ineens oorpijn voelt.

Het hele boek is opgebouwd uit dit soort minuscule verhalen van enkele regels tot hoogstens een paar bladzijden lang. Dat is tevens het voornaamste probleem met dit dagboek: de losse structuur houdt de lezer op een zekere afstand. Bovendien vinden weinig abstracties hun weg naar het grotere geheel, waardoor het genoegen vooral van stilistische aard blijft. In het tweede en het derde deel van het boek lijkt Bagnold wat dat betreft vorderingen te maken en worden de vragen urgenter. De microkosmos van het hospitaal trekt de schrijfster uiteindelijk helemaal open naar de bredere werkelijkheid, met poëtisch proza dat ook nu nog met verstomming slaat tot gevolg.

Het lezen van gedichten is inderdaad een manier om ‘Dagboek zonder data’ te benaderen. Vaak heeft Bagnold immers met een regel genoeg om een op zichzelf staande paragraaf te vullen. Zelfs de anekdotes op zich worden op die manier een bij elkaar geharkte verzameling van elementen: niet bevorderlijk voor een kabbelende leeservaring, maar des te meer prikkelend vanuit taalkundig opzicht. Met vertaler Erwin Mortier aan het roer wordt de lezer overigens perfect ingewijd in de denkwereld van Bagnold: de taal is nooit opzichtig, wel soepel en eloquent.

Bagnold durft vragen stellen die er toe doen, hoewel haar dagboek niet aanvoelt als dé anti-oorlogsroman bij uitstek. Daarvoor schort er teveel aan de associatieve opbouw, die wat vermoeiend is en weinig intensivering toelaat. ‘Dagboek zonder data’ leest daarom vooral als een superieur citatenboek. Een tiental bladzijden zou men kunnen vullen met Bagnolds parels van zinnen, niet alleen over pijn of lijden, maar ook over de existentie zelf of over vrouwen die mannen afwimpelen. Of hoe het kleine een plaats vindt naast de grotere thematiek.

Details Non-fictie
Originele titel:
A Diary Without Dates
Vertaling: Erwin Mortier
Uitgeverij: De Bezig Bij
Jaar:
2012
Aantal pagina's:
143

Nieuwsbrief 7/7