Dennis Gaens, Ik en mijn mensen

Zoeken naar de uitgang

'Ik en mijn mensen' van Dennis Gaens (1982) is het debuut van een schrijver die, zo verhaalt de achterflap, het levensgevoel van de beatgeneratie vertaalt naar het nu. We kunnen vooral waarderen hoe zo schijnbaar achteloos werd neergepend hoe verloren iemand zich kan voelen aan een overvloed aan keuzemogelijkheden binnen tegelijk zo starre kaders.

De bundel is als fysiek object erg uitnodigend: een mooie omslag, een prikkelend, breed formaat. Dat blijkt ook nodig te zijn voor zijn gedichten. Vele zijn breed opgezet, zowel qua bladspiegel als qua verhalendheid. Gaens is geen dichter waarbij 'elk woord op een goudschaaltje wegen' betekent dat hij er uiteindelijk weinig gebruikt. Niettemin gebruikt hij geen woorden te veel en omspannen zijn gedichten veel meer dan het gemiddelde stuk proza. Ze lezen niet moeilijk, maar vragen al bij het laatste woord om terugkeer naar het eerste, omwille van het geheel én de rake oneliners.

We maken er kennis met iemand in een gespleten positie. Enerzijds is die persoon onderdeel van de geschetste omgeving, anderzijds levert hij commentaar. Er is sprake van afstand, van relativering van zogenaamde unieke situaties. Soms komen de gedichten nogal schamper over, alsof de persoon alles al eens gezien heeft en geen waarde meer vindt in wat anderen wellicht voor het eerst pas meemaken. Op andere momenten lezen diezelfde gedichten als een triest testament van iemand die niet zozeer zelf wereldwijs is, als wel om andere redenen niet kan leven in het moment.

Dat laatste is wellicht een effect van de rusteloosheid of zelfs verlorenheid die in veel gedichten aanwezig is. De personages moeten keuzes maken over hoe het leven in te vullen. Er is sprake van binding met een vader en met een (t)huis, maar beide zijn uiteindelijk niet genoeg om het eigen leven vorm te geven-misschien zelfs niet noodzakelijk: 'wij bouwen geen huizen meer'. Tegelijk voelen de personages zich niet altijd gewenst, zoals in 'Bij wijze van belofte': 'Uw architectuur vonden we al banaal / toen uw bouwtekeningen blauwdrukken / en uw blauwdrukken wiskunde werden. // Toen we wel naar binnen, maar nergens / zitten mochten. Toen u zei: 'gereserveerd' / en wij wisten dat het geen mededeling, / maar een uiterst adequate typering / van uw karakter was.'

De kloven die in deze bundel gapen, zijn die tussen jong en oud, gegoed en minder gegoed, vrijgevochten en burgerlijk. Tegelijk zijn dit te grote clichés om de doorvoelde personages mee te kunnen typeren. Wellicht is het beter om te zeggen dat ze zich een plaats of een rol in de samenleving willen toe-eigenen, maar dat ze niet altijd weten hoe, of zich niet vast willen leggen. In 'Tommy' wordt bijvoorbeeld geschetst, tot in de absurde details, wat je moet doen, kunnen en hebben om barman te worden. Wat genadeloos ontbreekt, is het daadwerkelijke solliciteren naar en werken als barman.

Het laatste gedicht, 'Vermeld altijd:', is tegelijk een sluitend en open antwoord op het voorgaande. Het lijkt een voorschrift voor hoe alarm te slaan. Men moet niet panikeren (paniek 'staat u niet. U hebt er het postuur niet voor'), zelf de weg naar de uitgang te vinden, 'waar we met zijn allen hebben afgesproken'. Is dit een allusie op een hiernamaals, of verwijst het naar het in de bundel zo naarstig gezochte 'ik' - dat eindelijk gevonden is nadat je zelf de uitgang uit de chaos hebt gevonden?

Dat dit een vraagteken voor ons blijft, is des te meer reden om de bundel opnieuw en opnieuw open te slaan. Wel worstelen we met de opdeling van de bundel in de afdelingen 'vooraf', 'soms', '(steeds) vaker', 'altijd (al)', 'nu' en 'en dit nog'. De verbinding met de titel van de gehele bundel blijft, ook na geduldige overweging, wat wankel. Het lijkt het zo te zijn dat de onderhuidse stuurloosheid van de ik en wij uit de gedichten steeds intenser wordt, en culmineert - in het 'nu' - in keuzes, afscheid nemen, maar toch niet geheel tevreden zijn.

Mede hierdoor, en doordat de 'nu'-afdeling wat ons betreft een paar gedichten bevat die uit de zorgvuldig gecomponeerde toon vallen, haalt Gaens, goed geplaatst als hij was voor de vijf sterren, ze net niet. De dikke vier die hij wel krijgt, zijn echter meer dan verdiend.

Details Poëzie
Auteur: Dennis Gaens
Copyright afbeeldingen: Van Gennep
Uitgever: Van Gennep
Jaar:
2010
Aantal pagina's:
67