Chrétien Breukers, Ik ben niet gek! [Ik ben een gedicht]

De pijn van het gek zijn

De bloemlezing 'Ik ben niet gek! [ik ben een gedicht]' presenteert zich al in zijn opbouw als gekkenwerk. Het bevat welgeteld 11x11 gedichten – elf is het getal der gekken – waarbij elf dichters (gemiddeld) 7x11 gedichten aangeleverd hebben en 4x11 dichters elk één. Als bewakers omheen dit 'zootje ongeregeld' staat vooraan en achteraan telkens nog een extra gedicht van Frank Pollet en Chrétien Breukers, de twee samenstellers van de bloemlezing. Deze bewakers roepen onmiddellijk verwachtingen op.

Frank Pollet opent het boek met het titelgedicht: 'Ik ben niet gek! Ik ben alleen / wat onberekenbaar, een beetje / ongeregeld, ongerijmd en stapel / woorden in mijn eigen logica [./.] in dat alles / ben ik versteld, ontdaan, ontwricht. / Ik ben een gedicht.' Het gedicht lijkt een grens over te stappen en aan de kant van de gekte te gaan staan. Het doet daarin denken aan een poëticaal pamflet van dichter Erik Spinoy. Hij vergelijkt er poëzie met het racen in rolstoelen door ziekenhuisgangen. Taal moet volgens dat pamflet in het volle bewustzijn van haar gebrekkigheid zijn en er plezier aan beleven. Er is geen verschil tussen gek zijn en gek doen, het masker dat we dragen is wie we zijn. De lezer beleeft vervolgens dat perverse plezier mee door ongecompliceerd in het gedicht mee te stappen.

Dergelijke poëzie ontbreekt volledig in deze bloemlezing. Er worden wel grenzen overschreden, grammaticaal (bij Frans Budé) of in de spelling (bij Menno Wigman), als strategie om dichter bij de gekte te komen. Of David Troch doet vijf manische pagina's lang de gekste dingen met het getal dertig: 'elke dertig seconden sterft een kind aan malaria. om de / evenveel seconden wordt een been of voet geamputeerd / als gevolg van de ziekte. landmijnen en clusterbommen / moeten het stellen met een slachtoffer om de dertig minuten.' Maar hier wordt eerder de taal geweld aangedaan, niet om er plezier uit te halen, maar om de pijn van het gek zijn te laten voelen.

Daarom heet de bloemlezing bijvoorbeeld niet 'Ik ben gek en gedicht'. De gedichten willen niet gek zijn, roepen het uit dat ze het niet zijn en zijn het desondanks. Of ze zijn bij iemand die gek is en van wie ze wensen dat die het niet was, zoeken naar woorden om het onvermijdelijke onder ogen te zien. Pollet schrijft ook dat hij (de gek en/of het gedicht) 'opgesloten / in mezelf' is. Chrétien Breukers drukt dat in zijn gedicht nog sterker uit: 'Mijn bovenkamer is nog gisteren gestuct.' Het samenvallen van het lichaam en de beslotenheid/opgeslotenheid van een kamer is typisch voor vele gedichten in deze bloemlezing.

De gekte wordt of van binnenuit beleefd – een ik-persoon bekijkt zijn vervormde zelf in de spiegel op zoek naar de bollingen in het glas – of vanuit een dierbare die een houding zoekt in te nemen tegenover de ongeneesbaarheid – 'Om wat niet verjaren wil' heet de cyclus van Christina Guirlande – en de onmacht. In het eerste geval zijn de gedichten van Bart Brey het meest schrijnende. Korte rechttoe-rechtaanzinnen roepen de hele complexiteit van het opgesloten zitten op – in een instelling, maar ook in zichzelf: 'Ik kan geen wonderen verrichten. / Maar men gelooft mij niet. // Men houdt mij angstvallig vast. / Vreest krachten die ik niet heb.' In het tweede geval valt het gedicht 'De idioot in het bad' van M. Vasalis op. Een derde persoon beschrijft zowel de idioot als de verzorgende. De afstandelijkheid doet de christelijke referentie aan het eind extra wrang overkomen: 'En elke week wordt hij [de idioot] opnieuw geboren / En wreed gescheiden van het veilig water-leven, / En elke week is hem het lot beschoren / Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.'

De bloemlezing bevat klassiekers (naast Vasalis zijn zeker Arends, Achterberg en het gedicht 'Zelfmoord plegen nr. 20' van Frank de Crits op zijn plaats, maar ook Jotie T'Hooft, nochtans niet een van mijn favoriete dichters, is hier thuis als een vis in de bek van een haai) en recent, soms zelfs nog ongepubliceerd werk. De al genoemde David Troch verraste me, net als Maria Barnas, Ellen Deckwitz en sommige gedichten van Arie Gelderblom, die ik niet kende, maar blijkbaar – dat leid ik af uit de inleiding – een ervaringsdeskundige was en in de jaren zeventig publiceerde. Nog andere gedichten, zoals 'Boswachter' van Bernard Dewulf, krijgen in deze context voor mij een nieuwe betekenis.

En voor wie denkt dat een bloemlezing over gekte niets voor hem of haar is, kan ik enkel Komrij citeren: 'Van alle gekken die ik om mij zie / Ben ik het meest verzot op gekken die / Beweren niet verzot te zijn op gekken.'

Details Poëzie
Auteur: Chrétien Breukers, Frank Pollet
Uitgever: Uitgeverij P
Jaar:
2010
Aantal pagina's:
144