Bert Theunissen, De koe. Het verhaal van het Nederlandse melkvee 1900-2000

Fokkers, wetenschappers, maar ook ondernemers

“Kleine kinderen denken tegenwoordig dat melk in de fabriek wordt gemaakt.” Zo opent 'De koe. Het verhaal van het Nederlandse melkvee 1900-2000' van Bert Theunissen. Maar wat leren kleine kinderen van dit boek?

Het eerste hoofdstuk schetst de drie hoofdfactoren van melkproductie in de twintigste eeuw: landbouwpolitiek, bedrijfscultuur en veeteeltwetenschap. Van cultuur, in de zin van aangekweekte gewoontes, krijgen we de voorgeschiedenis. in het negentiende-eeuwse Nederland koos men voor een duurzamere veeteelt: niet meer de koeien letterlijk uitmelken en vervolgens een tweede keer als vlees snel geld verdienen, maar fokkers maakten onderscheid tussen melk- en vleeskoeien en dachten over meerdere jaren. De melkkoeien zat wat beter in het vlees. Ze gaven minder melk per dag, maar ze overleefden de winters en waren beter tegen koeienziektes gewapend.

Begin van de twintigste eeuw groeide dan een rassencultuur, met de melktypische zwartbonten, de vleestypische blaarkoppen en daartussenin de roodbonten. Andere koeiensoorten werden curiosa. Stamboeken officialiseerden de rassencultuur: naast afstamming bevatten deze registers uiterlijke kenmerken en productieresultaten. Hiermee werd de economische waarde van koeien en vooral stieren bepaald.

Vanaf de jaren dertig richtten wetenschap en politiek zich intensiever op de veeteelt. Een frappant detail: de oprichting van de Landbouwuniversiteit Wageningen gebeurde onder de hoede van het ministerie Landbouw, niet dat van Onderwijs. Onderzoekers wilden een verdere veredeling wetenschappelijk gronden: om koeien te kweken met een hogere melkproductie moesten de invloedrijke factoren gekend zijn. Schaalvergroting was nodig en meting van de juiste gegevens. Die factoren waren in elk geval niet de uiterlijke kenmerken van koeien, waar men op fokveekeuringen en veetentoonstellingen zo hoog mee wegliep. Een belangrijke nieuwigheid was kunstmatige inseminatie. Deze methode bewees direct resultaat, zodat vandaag de dag zo goed als alle industriële koeien een vader uit een buisje hebben.

Theunissen herhaalt tot vervelens toe dat het tot de jaren zeventig wachten was voor wetenschappers en fokkers niet meer op gespannen voet met elkaar leefden en wetenschappelijke ontwikkelingen de overhand kregen op de culturele traditie. Maar in het bewuste hoofdstuk waar het boek naar opbouwt blijkt die bewering niet echt te kloppen. Net toen wetenschappers terughoudend werden tegenover puur op genetica gebaseerde kennis, maakten fokkers de overstap naar grotere veestapels, ligboxenstallen en een nieuwe, beter renderende koeiensoort: de Amerikaanse Holstein. Deze weliswaar van oorsprong Nederlandse koe haalde in Amerika goede resultaten en werd gekruist met de eigen koeien, in die mate dat vandaag bijna alle industriële koeien uit Holstein bestaat. Wetenschappers wilden veredeling, maar niet een Amerikaanse overrompeling.

Deze overrompeling was alleen maar mogelijk omdat de kinderen uit de openingszin gelijk hebben: een veeteeltbedrijf is een melkfabriek geworden. Theunissen, die hoogleraar Geschiedenis van de natuurwetenschappen is, richt zijn blik op de spanning tussen culturele traditie en wetenschap, en hoewel dat verhaal op zich interessant is, is zijn blik te eng. De economische factor komt als bepalend element te weinig naar voren. Hij toont hoe fokkers in de jaren zeventig ondernemers werden en risico's namen, maar hij gaat niet zo ver het ondernemerschap als de nieuwe culturele doctrine te ontmaskeren. Nochtans komt ook hier de waarheid uit een kindermond.

Details Non-fictie
Auteur: Bert Theunissen
Copyright afbeeldingen: Bert Bakker
Uitgever: Bert Bakker
Jaar:
2010
Aantal pagina's:
192