Krijn Peter Hesselink, Als geen ander

Niet alleen ongeluk zit in een klein hoekje

'Als geen ander', de debuutbundel van Krijn Peter Hesselink, is er één van een rasverteller. Wie de grote, innemende Nederlander wel eens op het podium heeft zien staan, weet dat. In 2006 werd hij Nederlands kampioen poetry slam, dankzij een vaak ingetogen voordracht met oog voor detail.

De vraag die vaak rijst bij papieren poëzie van podiumbeesten, is of hun gedichten ook gedrukt beklijven. Hesselink doorstaat deze test glansrijk. De bundel is opgedeeld in vijf afdelingen, met een openingsgedicht dat zich hieraan onttrekt. Dat gedicht zet wel meteen de toon: het verhaalt van de mogelijkheid om drie mensen per vierkante meter te kunnen huizen, en de gevolgen ervan voor een samenleving. Het gedicht is licht van toon, maar lijkt juist door deze lichtheid een serieus commentaar te zijn op het protectionistisch discours van extreem-rechtse politici, een discours dat de hele politiek over lijkt te nemen. Met het gedicht opent Hesselink een stijlregister dat hij met enige variatie door weet te zetten in de gehele bundel: een onconventionele en vaak opgewekte kijk op de dingen.

De afdelingen zijn te karakteriseren per thema: over algemene impressies; over het ik en zijn verhouding tot de wereld; over de liefde; over de keerzijden van de liefde en hoe twee subjecten altijd gescheiden blijven; en over Grote Zaken als dood, vergankelijkheid, genese en poëtica. Een kenmerk dat alle afdelingen bindt, is de kabbelende voortgang van de taal, en het feit dat de gedichten het meer moeten hebben van de gedachten die ze bevatten dan van de woorden die ervoor zijn gebruikt.

Een vraagteken voor ons vormt zijn gebruik van interpunctie, of beter gezegd: zijn zeer inconsequente gebruik ervan. Hij gebruikt het vaak niet of slechts hier en daar, wat de vaart van het gedicht vaak ten goede komt, maar de leesbaarheid bij een eerste lezing niet. Voor iemand die elk gedicht op zich bekijkt, is het niets om over na te denken, maar qua bundelconcept vinden we het opmerkelijk.

Zoals gezegd is Hesselink een echte verteller, en dat uit zich in poëzie die regelmatig spreektaal bevat en met gemak een wereld schept die bol staat van allerlei zintuiglijke informatie. De taal waarvan hij zich bedient, is vrij transparant, zonder dat dit betekent dat de betekenis zich zomaar laat weggeven. Zijn schijnbaar achteloze gebruik van dagelijkse woorden en dingen zoals vliegtuigen, bussen, fietsers en jurken, is een pluspunt, maar de keerzijde is dat niet elk gedicht gemakkelijk boven die concrete context uitstijgt.

Het mijns inziens meest geslaagde gedicht van de bundel combineert die niet-poëtische woorden met een poëtische ruimte in het gedicht 'De ballade van de piepende man': 'Hier staat de piepende man hier dringt een hengst zich tussen zijn benen hier gaat de piepende man in een wilde galop door het landschap En alles in landschap behalve de piepende man Opwaaiend stof hamerende hoeven zwetende flanken dansende horizonten Alles is landschap behalve de piepende man Wat hier in galop door het landschap gejaagd wordt is een gat in een landschap is niets Alles is landschap niets piept'.

Hier bereikt Hesselink door herhaling van woorden en de oude tegenstelling tussen iets en niets, en blijven en reizen, een ieder bekende melancholie en besef van desolaatheid. De pointe van de gedichten is niet zozeer te vinden in enjambementen, woordspelingen of suggestie, als wel in associatief denken en het laten ontsporen van gewone situaties in iets bizars of surreëels. In die zin is hij haast een kubist te noemen: in de gedichten gaat hij op zoek naar de luikjes van de realiteit zoals in een adventskalender voor kinderen met een chocolaatje voor elke dag. Hij probeert de luikjes te openen, ze tegelijk open en dicht af te beelden, ze door te breken, of nieuwe te creëren.

Regelmatig poogt hij verschillende momenten, mogelijkheden of handelingen in een enkele instantie samen te laten komen: 'je legt het / op tafel vensterbank nachtkastje'. Dit doet hij ook met verschillende subjecten in zijn gedichten: het ik en jij verwisselen regelmatig van rol. Zeker in de derde afdeling is dit zeer aanwezig, al had het daar wel iets minder gemogen. Het is hem echter vergeven. Hesselink laat zich in deze bundel zien als dichter die geregeld een glimlach op je gezicht tovert door zijn omgang met het alledaagse. Soms is het een droevige glimlach van herkenning, soms een blije, een vertederde. Niet alleen ongeluk zit in een klein hoekje.

Details Poëzie
Auteur: Krijn Peter Hesselink
Uitgever: Nieuw Amsterdam
Jaar:
2008
Aantal pagina's:
68