Alexis de Roode, 'Een steen openvouwen'

Welcome to the working week

Wanneer je weet dat vorige bundels van Alexis de Roode luisterden naar titels als 'Geef mij een wonder' of 'Gratis tijd voor iedereen', krijg je al een aardige indruk wat voor gedichten je hier voor de kiezen krijgt.

De Roode schrijft prozapoëzie die voort lijkt te vloeien uit de spanning tussen het nine-to-five leven (kijk trouwens eens naar die geweldig schlemielige omslag) en de hoop daaraan te ontsnappen. Denk niet dat dit synoniem staat voor escapisme, daarvoor wordt er te spits geschreven en wordt de ijdelheid van de werknemer te graag op de korrel genomen. Idyllische vergezichten of poëtische natuurmijmeringen hoef je ook al niet te verwachten. Neen, de werknemer en zijn eeuwige illusies over vrijheid vormen hier het thema.

In 'Zondagochtend' levert dat dit op: 'Ik zou heel even in de auto kunnen gaan zitten/Op het koele leer. En de radio aanzetten/Om te voelen hoe het is om naar mijn werk te rijden, zonder naar mijn werk te rijden/Ik voer mijn plan uit/Dit is de vrijheid waar ik recht op heb'.

'Broederschap' schokt. Het is een gedicht dat in eerste instantie een goedmoedige indruk wekt: 'Ondanks het hoge ideaal/en het harde werken/waren er ook mooie momenten'. Een regel later wordt er verwezen naar een kerstfeest in 1943, wat automatisch associaties opwekt met W.O. II - maar nog steeds blijf je in het ongewisse. De laatste regels laten geen twijfel meer bestaan: 'En de volgende dag was het voor iedereen vanzelfsprekend/dat het werk weer doorging, de vuurkuil heeft gerookt als altijd.' In dat gedicht lees je trouwens het malicieuze zinnetje: 'In ieder mens schuilt wel iets goed.'

Vooral de achteloze stem in het gedicht zorgt ervoor dat de impact maximaal is. 'We moeten nu eenmaal ons werk doen, laten we er maar het beste van maken.': dat soort sfeer dringt zich op in 'Broederschap'.

In 'Uitverkoren' lazen we: 'Ik geef het toe: ik vind het idee van een apocalyps aantrekkelijk. Het overzicht. Wegvallen van prikkels, stuwing uit de kern. De primaire vreugde om het uitgekleed bestaan'. Ook hier weer: dat terloopse toontje. Hij besluit met: 'Hoe ver is het al?/Zullen we een komeet verzinnen?/Zullen we hem samen afpellen, onze grijs geworden huid, eronder kijken of het al glinstert?'

De achterkaft meldt: 'Een steen openvouwen herbergt de meest sardonische en lyrische gedichten die de Roode tot nu toe schreef'. Daar lijkt ons geen woord van gelogen.

Details Poëzie
Uitgeverij: Podium
Jaar:
2017
Aantal pagina's:
80