Adriaan Jaeggi, Het is hier altijd laat van licht - Amsterdamse stadsgedichten

Niet meer dan een tijdsdocument

Wat hadden Groningen, Venlo, Zwolle of Dordrecht en wat had Amsterdam niet? Een stadsdichter! Onbegrijpelijk, vond Adriaan Jaeggi (1963), dus plaatste hij een oproep in ‘Het Parool'. Met succes, want het artikel oogstte heel wat bijval en Jaeggi werd zélf gevraagd om de eerste stadsdichter van Amsterdam te worden. Dat werd hij, van januari 2006 tot en met januari 2008, toen Robert Anker hem opvolgde.

De stadsgedichten die Jaeggi tijdens zijn ambtstermijn schreef, werden gebundeld in ‘Het is hier altijd laat van licht'. De bundel bevat, naast de zestien stadsgedichten, ook proza. Het eerste deel van het boekje beslaat het artikel ‘Ik benijd hem niet' en de rede ‘Geef ons een stadsdichter'. ‘Ik benijd hem niet' werd geschreven voor er sprake was van een Amsterdamse stadsdichter en draait om de vraag waarom die er niet was. ‘Geef ons een stadsdichter' is de redevoering die Jaeggi op de avond van zijn aanstelling bracht. Het laatste deel van de bundel bevat drie verslagen van eenzame uitvaarten, waaronder één geschreven door Frank Starik, de organisator van de eenzame uitvaart.

De eenzame uitvaart is een mooi initiatief, waarin de stadsdichter een gedicht voordraagt op de begrafenis van een inwoner die vrienden noch familie had. Jaeggi zegt over dat concept dat hij er ‘altijd ondubbelzinnig het gevoel over had dat het zinvol werk was'. Het interessante aan die eenzame uitvaartgedichten is dat ze niet gevoelig of melodramatisch zijn. Jaeggi heeft niet de intentie om verbloemend te zijn en is soms erg feitelijk, zoals in ‘Tweeëntwintig februari': ‘Het wordt tweeëntwintig februari, en / dan blijkt dat is bepaald, nu / tweeëntachtig jaar geleden / door Jahweh, stamcel, DNA / dat je vandaag zou sterven - / tweeëntwintig februari'.

‘Melding van absentie' schreef hij vanuit het standpunt van het verpleegpersoneel in het tehuis waar de overledene verbleef: ‘Met meneer Koopman had je nooit last. / Meneer Koopman had nooit bezoek. / Misschien hield hij wel niet van bezoek.' Ietwat grimmige humor wordt ook niet geschuwd, zoals in ‘Dede Oso': ‘Dag trucker, Amsterdamse Surinamer, Dag A. A. / Vianen. / Het zal hier wel snel worden opgeruimd. / Het jaar is moe en wij ook. Voor wij je vergeten / besteden wij dagenlang geen aandacht aan ons / uiterlijk.' De gedichten passen mooi in de bundel, omdat ze zo ver verwijderd zijn van het feestgedruis waar stadsgedichten normaal gezien voor geschreven worden. Ze geven absoluut een meerwaarde aan de bundel. De verslagen zijn erg beschrijvend: ‘Daarna nam ik tram 9 naar het Centraal Station. Om kwart voor elf was ik thuis. Ik zette mijn zwarte schoenen onder de radiator met proppen krant erin.'

De stadsgedichten werden geschreven om voor te dragen, wat toch een ander soort poëzie vergt. Aan sommige gedichten merk je dat ze moeten worden voorgelezen, zoals in ‘Handleiding', waarin de woorden ‘een nieuwe' herhaald moeten worden ‘tot het publiek wegloopt'. Het blijft de vraag of Jaeggi stadsdichter geworden zou zijn, mocht hij door een strenge selectie moeten gaan. Zelf zegt hij erover in ‘Geef ons een stadsdichter!': ‘en diezelfde mensen op het stadhuis hebben nog gevoel voor humor ook, want die zeiden: als jij het dan zo graag wilt, met je grote mond, doe jij het dan maar'. Jaeggi lijkt er vooral op uit te zijn om lol te trappen en niet zozeer om de annalen te halen. Maar best, want het is wel een ‘leuk' boekje, maar niet veel meer dan dat. De gedichten zijn scherp en vaak met een knipoog of ironie geschreven, maar ze zijn te licht om te blijven hangen. De dichter lijkt wel eens te denken dat als je zinnen in verzen opdeelt, je automatisch bij poëzie uit zal komen. Vraag is natuurlijk of hij het niet gewoon zo bedoeld heeft.

Bij elk gedicht staat informatie, bijvoorbeeld voor welke gelegenheid het werd geschreven, hoeveel mensen aanwezig waren of hoe groot de oplage was. Bij ‘Lente in december' staat onder meer: ‘en een gehoor van zes belangstellenden (inclusief personeel Parooltheater)'. Die ironie, zelfrelativering en humor vind je ook in de gedichten terug. Zoals in ‘III Smartlap voor Amsterdam': ‘Niet alles is verloren maar wel je fiets / als je hem niet vastniet / aan het trottoir als het er is'.

De lastige taak van een stadsdichter is dat een perceptie van een stad uiteindelijk persoonlijk blijft en dat je niet voor iedereen goed kan doen. ‘Het is hier altijd laat van licht' is interessant voor Amsterdam, maar het is niet verreikend en verrijkend genoeg om daarbuiten te bekoren. Het is een mooi tijdsdocument, maar niet veel meer dan dat.

Details Poëzie
Auteur: Adriaan Jaeggi
Copyright afbeeldingen: Nieuw Amsterdam Uitgevers
Uitgever: Nieuw Amsterdam Uitgevers
Jaar:
2008
Aantal pagina's:
58