Zweep je beste been voor

Van kinderen en de dingen die volwassenen voorbijgaan

In 'Zweep je beste been voor' introduceert dichter Fred Papenhove ons in de buiten- en binnenwereld van een jongen van een jaar of tien. In korte prozagedichten zet hij een karaktertje neer dat in al zijn detail en concreetheid erg herkenbaar is en dat volgehouden door de hele bundel heen.

Altijd moet een recensent met de billen bloot om een goede recensie te schrijven. Een oordeel zegt doorgaans immers evenveel over het beoordeelde als over de criteria die de beoordelaar hanteert. Maar wat doe je als je als recensent eigenlijk nooit de schoonheid hebt ingezien van een bepaald subgenre en opeens zo'n boek onder je neus geschoven krijgt?

Dan moet je daarmee je recensie beginnen. Prozagedichten, het zijn vreemde beestjes. Qua vorm, qua bladspiegel lijken ze erg op gewone fictie: de regels zijn ofwel niet afgekapt, ofwel op (schijnbaar?) willekeurige plaatsen, resulterend in eerder lange regels, doorgaans zonder wit ertussen. Vaak is de inhoud ook iets verhalender dan het gemiddelde gedicht dat enkele beelden staccato uitwerkt en de witregels gebruikt als ruimte voor de lezer en diens indrukken opgewekt door de weinige woorden die er staan.

Dat gezegd zijnde is de nieuwste bundel van Fred Papenhove een prestatie van des te groter formaat. Iemands grenzen van appreciatie oprekken is immers niet niks. Het gedicht dat de bundel opent, zet direct de toon. We volgen een opgroeiende jongen. Het eerste wat opvalt is het merkwaardig simpele, intuïtieve perspectief van een kind van wie niettemin de verschillen met een volwassen gezond verstand direct duidelijk zijn. Hij houdt 'op 't strand het water in de gaten, het is een / wolf in klotsen, geen golf ligt verkeerd.'

De allusie op wolven in schaapskleren is duidelijk. Maar verderop in de bundel duiken telkens opnieuw zulke relatief eenvoudige woordspelingen op of lichtelijk vervormde, fout aandoende gezegden (iets dat 'aan je sandalen' ligt, 'lood in hoofd en benen', of 'kinderen steken hun tong naar voren' en natuurlijk de titel zelf). Hier spreekt niet een middelmatige dichter, hier verdwijnt de dichter uit beeld en spreekt de jongen zelf. Papenhove weet zich zijn stem volledig eigen te maken en door de ietwat wringende beelden zijn kinderlijke blik tastbaar te maken.

Niet alles is peis en vree in die kinderlijke wereld. Wreedheid en strijd is overal: er wordt tegen schenen geschopt, een vijandschap met buurtkinderen wordt gecultiveerd, een verzet tegen stomme volwassenen ook. Maar Papenhove toont evengoed het basale rechtvaardigheidsgevoel (dat tegelijk ook wrede vormen aanneemt): de jongen schakelt iemand die eenden met stenen bekogelt, vakkundig uit door ongezien met kiezeltjes en een blaaspijp op zijn nek te schieten.

Papenhove leidt ons kriskras door het leven van de jongen: straatgevechten, dromen over een meisje, naar bed gebracht worden door oma, het is er allemaal bij. Volwassenen zijn er ook, maar ze zijn de onbegrepen want onbegrijpende mensen die grenzen stellen die de jongen niet nodig vindt of snapt. Het beeld van de ouders is opnieuw al vanaf het eerste gedicht (dat zich op het strand afspeelt) duidelijk: ze 'gebruiken korte / opmerkingen en zoeken een bruin gezicht. 'Niet te diep.' / ... tot de laatste lichtdruppel liggen je ouders / voluit.' Hijzelf maant zich aan hard te werken aan het kanaal dat hij graaft en lijkt de loomheid, passiviteit van de ouders niet te begrijpen.

Ze figureren hier en daar in de bundel, maar krijgen vooral een prominente plaats in het laatste gedicht. De jongen trekt zijn 'schouderbladen als twee / soepele scharnieren vastberaden naar achteren: hieraan / meedoen wil je niet, je wordt geen volwassene!' Maar 'Wanneer / je dit doorgeeft aan je ouders, plooien / hun gezichten zich tot een valse lach.' Het illustreert nogmaals de tegengestelde verhouding tussen de jongen en zijn ouders (en dat terwijl oma, herkenbaar, wel volwassen maar toch de liefste is).

Bovenal maakt Papenhove zo het karwei genadeloos af: hij dwingt ons, volwassen lezers, ons te identificeren met die vals lachende soortgenoten, terwijl we inmiddels vertederd en ook misschien een beetje verontrust of verdrietig zijn over het verlies van de eigen naïviteit. Schitterend.

Details Poëzie
Auteur: Fred Papenhove
Uitgeverij: Van Gennep
Jaar:
2011
Aantal pagina's:
38