Overal dichtbij, en toch relatief onbekend buiten Nederland: het Gemeentemuseum Den Haag plant exposities die echt wel het opvolgen waard zijn. Tot 2014 wordt er gefocust op Mondriaan en de kunstenaarsbeweging De Stijl, een collectief uit het begin van de twintigste eeuw waar in het Centre Pompidou vorig jaar nog een tentoonstelling aan werd gewijd, met tal van werken die speciaal waren uitgeleend door Den Haag. Als dank wilde het Parijse museum zelf een veertigtal doeken tijdelijk tentoonstellen in Nederland, een voorstel waar de Nederlandse kuststad dankbaar op in ging. De resultante werd ‘Parijs, stad van de moderne kunst (1900-1960)', een tentoonstelling met een flink aantal topwerken, en een bijhorende, uitstekende catalogus.
Het uitgangspunt voor de tentoonstelling is de vraag waarom Parijs vanaf het begin van de twintigste eeuw een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefende op grote kunstenaars overal ter wereld. Er wordt in de inleiding een aantal hypothesen geformuleerd, die er samen voor gezorgd hebben dat een intellectuele elite zich in Montparnasse en Montmartre verzamelde. Uiteraard betrof het hier niet alleen belangrijke beeldende kunstenaars, maar ook schrijvers en componisten. Wie Woody Allens (weliswaar gevulgariseerde) beeld van het Parijs van de jaren twintig beschouwd, zoals geschetst in zijn laatste film ‘Midnight in Paris’, weet dat Parijs zich steeds meer profileerde als een metropool, het spreekwoordelijke epicentrum van de vernieuwing.
‘Waarom Parijs?’ is geen triviale vraag. In de negentiende eeuw en zeker daarvoor ziet men immers dat steden als Londen en Wenen gelijke tred hielden met de lichtstad, of zelfs belangrijker waren. Het vernieuwende intellectueel-politieke ideeëngoed dat echter sedert de Franse revolutie uit Frankrijk kwam aangewaaid, straalde steeds meer af op de hoofdstad, die almaar aantrekkelijker werd voor zelfverklaarde genieën en daadwerkelijk grote geesten. Men kan vermoeden dat de smeltkroes van ongetalenteerde paljassen en beroemd geworden kunstenaars tenminste resulteerde in een platform waar moderne doeken konden worden voorgesteld. In het officiële circuit duurde het echter vrij lang vooraleer de eigentijdse meesters een plek kregen om tentoongesteld te worden. De weinige musea en de niet echt florissante kunstmarkt verklaart ten dele waarom veel topwerken uit het eerste deel van de twintigste eeuw de grote plas hebben overgestoken. De interesse uit de Verenigde Staten, potentieel ingegeven als reactie op het Europese idee dat de Amerikanen geen benul van cultuur hadden, zorgde dus voor een geografisch versnipperd raken van een heel aantal relatief recente doeken.
Deze en andere gegevens komen uit de uitstekende catalogus van ‘Parijs, stad van de moderne kunst (1900-1960)’ naar boven. Ludion geeft deze uit voor een erg schappelijke prijs en het Gemeentemuseum van Den Haag liet een tekst neerpennen die gemakkelijk wegleest, maar toch niet in algemeenheden verzandt. De algemene duidingen per decennium bestaan uit een aantal feiten, waarna werken worden getoond met kort wat uitleg over waar de beeldend kunstenaar mee bezig was. Kenners zullen zich misschien stiefmoederlijk behandeld voelen, maar voor hen is de bijzondere invalshoek van het Nederlandse aandeel in de Parijse “revoluties” dan weer erg interessant. Kortom reikt dit boek zowel de hand naar de doorwinterde liefhebber als naar diegenen die hun eerste stappen zetten in de kunstwereld, zonder ooit oppervlakkig te worden of te kort door de bocht te gaan. Een uitstekend cataloog!

Reageer